Rivier

Voorbij vandaag
voorbij vannacht
glijdt zij - spreidt zij
haar lenig lijf -

In kringloop tijd
en stille kracht
schuift zij - zuigt zij
haar lange lijf
het broeden langs
het hoeden langs -
voedt zij - wroet zij
het land in twee -

Al kabbelt zij
al babbelt zij - soms
knelt zij - zwelt zij
in eigen stee
en bruist en baart
op hoge toon
meer van haar
eigen bloed -
zakt dan tot
spiegel die
voor zon of maan
niet onderdoet -

Zij kent geen jij
zij gaat gewoon
voorbij - voorbij -
maar stroomt in mij


(Pauline Vroom © 2017)

 

Smeekbede

Aan het donkere raam,
leunend op het zwaard,
als een zijlings wachtende beul
staat onverbiddelijk de nacht.

Blind zal hij slaan en doof
en je keert niet weer.

Maar jij dan - zwarte vogel,
leise - zing je - leise -
timide als wellend water
uit binnenkant aarde.

Verleid de dageraad
een vol lied nog
bezweer het zwaard
voordat wij gaan.

 

Vleugels

Tijmblaadjes
van het hout los
dondervliegvleugels
in de pan zacht
kokend water.

Dagen lang
ging ze dood,
in haar moederbed
rondstomend
op de zure bodem
van het bestaan.

Zij vloog
op haar laatste adem

In zacht kokend water
staat zij bij de kruiden
en liet haar vleugels voor mij.

 

Herinnering

Hij was uiterst zuinig.
Nog net niet vrekkig…
In een kleine ton bewaakte hij zijn regenwater.
Soms vroeg hij me mee uit
eten bij de Chinees.
Behoedzaam opende hij zijn beurs
En betaalde met kleine muntjes.
Hij telde ze zo langzaam neer
dat ik opzij moest kijken.
Ik ontnam hem iets heel dierbaars.
Beter betaalde ik voortaan zelf.

 

De oud-worden-blues

Ik lijk wel een oude vrouw,
zoals ik mijn broek ophijs
En hem stijf sluit met klittenband.
De straattegels zijn verraderlijk
Ik kan makkelijk vallen
of omgeduwd, beroofd, verkracht.
Ze kijken mij voorbij,
"weer zo'n oud wijf,
wat zijn er toch veel van."
Mijn glimlach krampt,
mijn lokroep stokt.
Alles wat ik wil lijkt roeien
tegen de stroom op en meedrijven
betaal ik met gesnak naar adem.
Het leven gaat harder dan ik.

 

Verlangen

Ik zoek mijn zeven jassen af
naar de jaarkaart van de trein.
Wat was mijn laatste doel ook weer,
waar moest ik ook weer zijn?

Dit overkomt me meer en meer,
wat kan ik eraan doen?
Geef ik een aantal jassen weg,
ga het met minder doen?

Dan heb ik minder zakken
en ben ik minder kwijt
en hoef niet meer te zoeken,
verspil ik minder tijd.

Altijd maar weer die spullen,
mijn leven dreigt te zijn:
een knieval voor de dingen.
Hoe word ik Stoïcijn?

 

Hoe gaat het met jou?

Ik wacht op een vraag
Van mijn zoon, mijn man, mijn vrienden,
Hoe gaat het met jou?
Mijn hart bloedt terwijl ik wacht
Op de vraag
Hoe gaat het met jou?
Dan komt de vraag en ik zeg
Goed, het gaat goed,
Hoe gaat het met jou?

 

Spijt 1

Mijn oma zei, bij een laat ontbijt,
januari in het verschiet:
"Jullie praten over de lente,
maar ik haal de lente niet".

Ik zei toen niets, geloofde niet -
dat geeft mij nu verdriet.
Hoe graag had ik haar hand gepakt
iets zeggen hoefde niet.

 

Spijt 2

De bezem werkloos in haar hand
Haar mond bleekdun van nijd
Het tuinpad was haar vaste klus.
"Dit kon ik toch altijd!"

Ik fietste om mijn oma heen.
Passeerde haar maar gauw.
En dacht in mijn onnozelheid
Hoe belangrijk is dat nou?

 

Moeder

Tussen waken en slapen
Word ik mijn moeder
Mijn lichaam dreigt
mij te verlaten.
Mijn ledematen willen door
Mijn dochter verlegd worden
Mijn dochter is er even niet.
Ik moet wel wachten.

 

 

 

 

 

 

 

Gedichten

Rivier

Smeekbede

Vleugels

Herinnering

De oud-worden-blues

Verlangen

Hoe gaat het?

Spijt 1

Spijt 2

Moeder


« terug